Thomas-Müntzer-Gesellschaft e.V.

Thomas Müntzer

Müntzer, Thomas, geboren rond 1489 in Stolberg am Harz, ter dood gebracht op 27. Mai 1525 bij Mühlhausen (Thür.), Duitsland; preekte en had een leidende rol in de boerenoorlog 1525.

Afkomst, opleiding, activiteiten vóór de reformatie.

Net als Martin Luther komt Thomas Müntzer uit een graafschap in de Harz dat van de berglandbouw leefde. De in Stolberg sinds de 15de eeuw tot nu toe gevonden naamgenoten maakten voornamelijk deel uit van de stedelijke bovenlaag en hadden zakelijke contacten met het gravenhuis. De ouders van Thomas Müntzer heeft men tot nu toe niet kunnen identificeren en enige invloed van zijn omgeving op zijn ontwikkeling is niet duidelijk. Vermoedelijk ging hij in Quedlinburg naar school, want aan het begin van het wintersemester 1506/07 werd hij als ‘Thomas Munczer de Quedilburck’ ingeschreven bij de universiteit van Leipzig. Aan de universiteit van Frankfurt aan de Oder staat hij aan het begin van het wintersemester 1512/13 ingeschreven als ‘Thomas Müntczer Stolbergensis’. Over duur en inhoud van zijn studie is net zo weinig bekend als over contacten met docenten en studiegenoten. Ook van zijn afstuderen als Magister Artium (voor het eerst genoemd in 1515) en Baccalaureus Biblicus (voor het eerst genoemd in 1521) bestaan geen universitaire bewijsstukken. Waarschijnlijk heeft hij tussen de studies door het gebruikelijke beroep van leraar aan de latijnse school in Aschersleben en Halle uitgeoefend. Na zijn priesterwijding in het bisdom Halberstadt presenteerde de stadraad van Braunschweig hem op 6 mei 1514 voor een laag betaald altaarleen van de Michaeliskerk. Het is mogelijk dat hij daarnaast in de Hanzestad privéleerlingen had uit de opkomende groep van handelaren en handwerkers. Als gevolg van de laatmiddeleeuwse volksmystiek waren dezen op zoek naar dieper gaande bijbels georiënteerde vroomheid en verzamelden zij zich rond Müntzer. 1515/16 werd hij prefect (hoofd) van het domkapittel Frose bij Aschersleben. Hier had hij de zorg voor de kleine groep geestelijken van het kapittel. Daarnaast gaf hij les aan de burgerzonen uit de Braunschweiger kennissenkring. Toen in 1517 door het optreden van Johann Tetzel de aflaatproblematiek ook in Brauschweig bediscussieerd werd, kwam Müntzer nog vóór Luther daartegen in verzet. Of hij tengevolge hiervan Braunschweig moest verlaten en naar Wittenberg ging om duidelijkheid over de aflaat te verkrijgen, blijft ongewis.

Een consequent medestrijder van de Wittenberger reformatoren

Zijn meerdere keren onderbroken verblijf (reis naar Franken) in Wittenberg tussen 1517 en 1519 gebruikte hij voor humanistische en theologische studie. Hij sloot zich aan bij de vroegreformatorische beweging en had contact met haar vertegenwoordigers. Met Pasen 1519 verving hij in Jüterbog de prediker Franz Günther die in conflict was geraakt met de plaatselijke franciscanen. Müntzers geëngageerde , vroegreformatorische kerkkritiek verscherpte het conflict, dat deel uitmaakte van de aftrap van de Leipziger disputatie en waarvoor hij de steun van Luther kreeg. Sporen van een persoonlijke zendingsdrang zijn voor het eerst te herkennen, nadat hij in 1519 de positie van biechtvader had verkregen in het cisterciënzer klooster Beuditz bij Weissenfels. Hier vond hij ook de rust tot intensieve studie van de antieke schrijvers, de kerkvaders – in het bijzonder Augustinus – , van de geschiedenis over de vroege kerk, maar ook van de processtukken van de concilies van Konstanz en Bazel.

Op aanbeveling van Luther begon Müntzer in mei 1520 aan een langere vervanging van de reformhumanistische prediker Johann Egranus van de Heilige Mariakerk in het belangrijke handels- en onderwijscentrum Zwickau, wat hij opvatte als een roeping tot het consequent verkondigen van de reformatie. Reeds zijn eerste preek veroorzaakte een conflict met de invloedrijke franciscanen, dat door tussenkomst van de raad en de keurvorstelijke ambtenaar werd bijgelegd. Na terugkeer van Egran kreeg Müntzer de open predikantenplaats van de tweede stadskerk, Sint Catharina. Er bestonden geen wezenlijke sociale verschillen tussen de twee parochies. In tegenstelling tot Egrans erasmiaanse opvatting van de reformatie verkondigde Müntzer een geloofszekerheid die op de apostelen georiënteerd was en dank zij de werking van de Heilige Geest ervaren werd. Onder aanvoering van de lakenwever Nikolaus Storch kwam rond hem een kring van leken bijeen met een soort reformatorische opwekkingsvroomheid, met kritiek op de kinderdoop en met apocalyptische verwachtingen. Egran en zijn toehoorders vertegenwoordigden daarentegen een meer traditioneel georiënteerd hervormingschristendom. Zij werden voor schijnreformatorische weigeraars van het vernieuwde evangelie uitgemaakt door de aanhangers van Müntzer, die daarmee het conflict polariseerden. Op 16 april 1521 kreeg Müntzer van de stadsraad zijn ontslag. Daardoor waren de scherpste kantjes van de spanningen en vroegste verschillen binnen de hervormingsbeweging voorlopig weggenomen.

Müntzer verliet de stad en trok met ongebroken zendingsijver naar Bohemen waar hij vroeger al de aanwezigheid van betere christenen had verondersteld. Als profetische knecht Gods wilde hij hen met het naderend godsgericht voor ogen winnen voor toetreding tot een naar het voorbeeld van de apostelen gezuiverde kerk. Blijkbaar zag men hem in Praagse universiteitskringen aanvankelijk aan voor een representant van de Wittenberger reformatie. Zijn verscherpte antiklerikale polemiek en de kernpunten van zijn verkondiging (navolging van Christus, levendige godservaringen, herstel van de oorspronkelijke scheppingsorde) zette hij in november 1521 uiteen in een Latijnse, twee Duitse en een Tsjechische versie van een zendbrief. Hij kreeg slechts beperkte respons, werd onder toezicht gesteld en nog vóór het einde van het jaar gesommeerd het land te verlaten. Tot eind 1522 zijn er vervolgens slechts pogingen van Müntzer waar te nemen om een aanstelling te krijgen en een nieuwe zendingsopdracht te beginnen. Rond de jaarwisseling van 1522 naar 1523 werd hij tot kapelaan benoemd in het cisterciënzer klooster Glaucha bij Halle, moest echter na drie maanden al weer vertrekken.

Voor een gemeente van uitverkorenen in het zicht van het naderende oordeel

Reeds met Pasen 1523 kon hij de predikantsplaats van de Neustadtkerk in de keursaksische enclave Allstedt overnemen, waar hij meteen aan de slag ging met de vernieuwing van de preekorde. Hij vertaalde uit het Latijnse missaal de ordeningen voor een Duitse mis, en uit de getijdengebeden de opzet voor een Duitse weekdienst, telkens voor vijf kerkelijke jaargetijden. Deze eerste volledig Duitse, reeds in de praktijk gebruikte, godsdienstorden heeft hij vermoedelijk nog in hetzelfde jaar voor de druk klaar gemaakt bij Nikolaus Wiedemar in Eilenburg. Hij kreeg in Allstedt al gauw voet aan de grond, trouwde met de voormalige non Ottilie von Gersen en transformeerde de Allstedter Nieuwekerk tot een gemeente van uitverkorenen. Zijn poging om opnieuw contact te krijgen met Luther mislukte, met Andreas Karlstadt lukte dat wel. Binnen de kortste tijd bleken zijn godsdienstoefeningen in de hele regio grote aantrekkingskracht te hebben. Dit verontrustte de antireformatorische overheden, vooral toen sedert mei 1523 de vernieuwing van het Wormser mandaat door het rijksregiment van de Saksische vorst in werking getreden was. Tegen deze achtergrond ontstond vermoedelijk Müntzers eerste drukwerk, de Ernste sendebreff an seine lieben bruder zu Stolberg unfuglichen auffrur zu meiden (1523). Hij benadrukte dat de komst van Christus’ heerschappij afhangt van het ware geloof, wat de uitverkorenen staat te verwerven.

In september 1523 kwam het tot een openlijk conflict met graaf Ernst von Mansfeld auf Heldrungen, nadat de graaf zijn onderdanen meerdere keren verboden had de ‘ketterse’ preken in Allstedt te bezoeken en Müntzer hem vervolgens tot vijand van het evangelie had verklaard. Toen de keurvorst erbij geroepen werd, verdedigde Müntzer zich door te wijzen op zijn van God ontvangen preekopdracht en de plicht van de vorsten, wier ambtstermijn door het godsgericht beperkt was, om hun onderdanen te beschermen. Ter verdediging van de godsdiensthervorming verscheen bij Wiedemar zijn Ordnung vnd berechnunge des Teutschen ampts zu Allstadt (1523), een uitleg van zijn orde voor de mis, de doop, het huwelijk, het avondmaal voor zieken en de begrafenis. Müntzer had in Allstedt de kinderdoop ongemoeid gelaten, maar de doopgetuigen op het hart gedrukt verantwoordelijk te zijn voor de geloofsopvoeding van de opgroeiende kinderen. Het is niet zeker of de overgeleverde overwegingen om de jaarlijkse dooptermijn op te schuiven naar het zesde of zevende levensjaar teruggaan op zijn tijd te Allstedt. Vermoedelijk werd het conflict rond Müntzers godsdiensthervorming en zijn prediking pas tot een oplossing gebracht tijdens een verblijf van keurvorst Friedrich en zijn gevolg op slot Allstedt van 4 tot 14 november 1523, toen hij onderweg was naar de rijksdag in Neurenberg. Mogelijk naar aanleiding hiervan verscheen het kritische traktaat Protestation odder empietung Tome Mu(e)ntzers von(n) Stolberg am Hartzs seelwarters zu Allstedt seine lere betreffend vnd zum anfang von dem rechten Christen glawben vnnd der taufe (1523). In aansluiting op de ‘leergesprekken’ op het slot heeft Müntzer misschien zijn laatste kleine geschrift gepubliceerd: Von dem gedichten glawben (1523). Hij eiste dat het aangeleerde (gedichte, gefingeerde) geloof zou moeten worden vervangen door het ware, dat enkel door middel van de navolging van het lijden van Christus bereikt zou kunnen worden.

In het voorjaar van 1524 waren de onder Ernst von Mansfeld regerende landsheren opnieuw van de partij, toen aanhangers van Müntzer de dichtbij gelegen Mallerbacher veldkapel van het klooster Naundorf in brand hadden gestoken en de abdis bestraffing van de daders eiste. Het lukte de raad van Allstedt en slotvoogd Hans Zeiss het onderzoek geruime tijd uit te stellen. Pas in juni werd onder druk van hertog Johann een raadslid gearresteerd. Mensen die uit andere plaatsen op de godsdienstoefeningen afkwamen, werden steeds meer de dupe van represailles door de overheden en zelfs mensen die naar Allstedt waren gevlucht, moesten met uitlevering rekening houden. De bewoners van Allstedt wilden zich tegen deze ingrepen van buiten verdedigen. Müntzer deed een poging om de dreigende escalatie te stoppen door de landsheren te winnen voor de bescherming van de uitverkorenen. Op 13 juli hield hij voor hertog Johan en diens gevolg in het slot een preek over Daniël 2, over de ondergang der wereldrijken, de opkomst van Christus’ heerschappij en de rol die de overheden daarin zouden krijgen. Deze opmerkelijke preek werd meteen op de pers gelegd van de drukkerij in Allstedt, die Müntzer meteen na de sluiting van het bedrijf in Eilenburg had ingericht. Reeds in de zomer van 1523 had Müntzer zijn trouwe aanhang in een geheim genootschap bijeen gebracht en in die gespannen situatie ontstond er in alle openbaarheid een verdedigingsverband waar ook mensen van buiten zich bij aansloten en wat ook in andere plaatsen (bijv. in Orlamünde) navolging vond. Luther reageerde met zijn Brief an die Fürsten zu Sachsen von dem aufrührerischen Geist (1524), waarin hij de verbanning eiste van deze prediker die het gebruik van geweld niet schuwde. Tijdens een verhoor van Müntzer, raad en slotvoogd, eind juli, begin augustus 1524, aan het hof van Weimar, werd Müntzer gemaand om het verband op te heffen en de drukker te ontslaan. Na zijn mislukte poging om slotvoogd en raad aan zijn kant te krijgen,verliet Müntzer in de nacht van 7 op 8 augustus de stad. Vanaf half augustus probeerde hij samen met de reformatorisch geworden, voormalige cisterciënzer Heinrich Pfeiffer opnieuw in de vrije rijksstad Mühlhausen een gemeente van uitverkorenen op te bouwen. In de door hem, dan wel met zijn inbreng, tot stand gekomen Elf Artikeln werd een nieuwe raad geëist. Vermoedelijk werd met het oog op het culminerende conflict met het stadsregime ook een ‘eeuwig verbond met God’ opgericht, dat op militaire leest geschoeid was. Met behulp van troepen uit de regio wist de raad echter begin oktober Müntzer en Pfeiffer het land uit te jagen.

Müntzers Protestation en Von dem getichten glawben vonden hun weg naar de protodopers rond Konrad Grebel in Zürich, en dank zij Hans Hujuff uit Halle, die met hen in contact stond, kregen zij meer informatie over Müntzers optreden in Allstedt. Begin september schreef Grebel uit naam van zijn groep aan Müntzer, de ‘broeder in Christus’, om een gesprek met hem aan te gaan. Net als bij anderen die kritisch stonden tegenover de traditionele kinderdoop, vooral Andreas Karlstadt en Jakob Strauß, vonden zij ook in Müntzers geschriften gemeenschappelijke standpunten. Benadrukt werden vooral het ware geloof dat dankzij de navolging van het lijden verkregen was, de kritiek op de kinderdoop, de veroordeling van de halfslachtige reformatoren, en het zuiveren van de kerk naar apostolische criteria. Bezwaren werden echter evenmin verzwegen, vooral niet de betekenis van ceremonies en de bereidheid om met geweld de reformatie door te zetten. De nadruk lag op het zoeken naar een gesprekspartner en niet op de kritiek op een radicale reformator. Deze brief heeft Müntzer waarschijnlijk nooit bereikt, omdat hij al uit Allstedt vertrokken was; het is dan ook nooit tot een gesprek gekomen.

Hoop op de opstandelingen als werktuig van het goddelijke gericht

Na zijn verbanning uit Mühlhausen duiken sporen van Müntzer pas weer in Neurenberg op. De dankzij Hans Hut in oktober te Nürnberg tot stand gebrachte druk van het herziene Allstedtse geschrift Außgetrückte emplössung des falschen Glaubens der ungetrewen welt (1524) werd door de raad in beslag genomen, evenals de afrekening met Luther, de Hoch verursachte Schutzrede und antwort wider das Gaistloße Sanfftlebende fleysch zu Wittenberg (1524), die hij zelf had laten drukken. Noch in Neurenberg, noch bij de daaropvolgende ontmoeting met Oecolampadius, de reformator van Bazel, trad Müntzer in de openbaarheid. Er zijn geen aanwijzingen voor een ontmoeting met de protodopers uit Zürich, daarentegen is wel denkbaar dat hij een bezoek aan Balthasar Hubmaier in Waldshut heeft gebracht.. Voor de boerenopstandsbeweging in Klettgau heeft Müntzer wellicht Artigkel, wye man herschen soll geschreven. Vermoedelijk zag hij voortaan in het opstandige volk het geroepen werktuig voor het godsgericht, juist omdat de officiële overheden geweigerd hadden deze taak op zich te nemen. In Februari 1525 kwam hij terug in Mühlhausen waar hij het predikambt in de Mariakerk op zich nam en de opbouw van de gemeente van uitverkorenen voor het naderend godsgericht verder uitbouwde. Naar het voorbeeld van de Elf Artikel werd er een nieuwe ‘eeuwige’ raad gekozen. Toen zich eind april de opstandige activiteiten naar Thüringen uitbreidden, zag Müntzer daarin een besluit van God om de bestaande ordeningen omver te werpen en de scheiding tussen uitverkorenen en goddelozen in te leiden. Hij riep nu de voormalige leden van de Allstedtse bond en alle anderen die het nieuwe geloof aanhingen op om mee te doen met de door Gods wil tot stand gebrachte verheffing. Na een door hem zelf geïnitieerde korte veldtocht op het Eichsfeld trok hij ten gevolge van de dringende hulpverzoeken van de opstandelingen met de helft van de Mühlhauser manschappen naar Frankenhausen, waar de opstandelingen uit Thüringen bijeen kwamen. Daar werd de beslissende slag met het optrekkende leger van de hessisch-saksische vorst verwacht (Bauernkrieg). Na een schermutseling daags ervoor kwam het op 15 mei tot een treffen tussen de tegenstanders. Het verloop van de veldslag is niet eenduidig op te helderen. Bijna zonder verweer werden de meeste opstandelingen vernietigd. Müntzer werd tijdens de vlucht gegrepen en op slot Heldrungen gevangen gezet. Na een verhoor werd hij samen met Heinrich Pfeiffer in het vorstelijke kampement bij Mühlhausen geëxecuteerd, nadat hij de Mühlhausers had opgeroepen de strijd te staken. De oorzaak van de nederlaag lag volgens hem in de zelfzucht van de opstandelingen, terwijl hij zijn dood interpreteerde als een zoenoffer voor de ongehoorzaamheid van het volk tegen de wil van God. Hij zette echter geen vraagtekens bij zijn goddelijke opdracht.

Reformatorische theologie met eigen accenten

Het theologische raamwerk van zijn zendingsbesef is niet eenduidig vast te stellen. Als academisch gevormde reformatorische theoloog respecteerde hij de belijdenistraditie van de oude kerk (leer van de triniteit), al bracht hij zijn eigen accenten aan. Centraal in zijn prediking stond de opdracht het ‘gedichte’ geloof te ontmaskeren, vast te houden aan de voor ieder mens onvermijdelijke, door lijden gemarkeerde weg naar het ware geloof in de navolging van Christus, de verkondiging van het naderende Godsgericht, en het herstel van de oorspronkelijke scheppingsorde dankzij de directe heerschappij van God over de mensen en van de mensen over de overige schepselen. Voor zijn argumentatie oriënteerde Müntzer zich op de bijbel, die hij in navolging van de vroegkerkelijke traditie als eenheid zag. De tijd van de apostelen had voor hem een grotere normatieve functie dan voor de meeste andere reformatorische theologen. Voor de beschrijving van het heilsproces gebruikte hij denk- en uitdrukkingsvormen uit de laat middeleeuwse mystiek, voor zijn verwachtingen ten aanzien van het laatste gericht en de toekomst hanteerde hij ook elementen uit de apocalyptische traditie. Müntzer verstrengelde deze traditionele elementen met elkaar en verbond de voorstellingen van het menselijke heilsproces met de toestand van de wereld in het zicht van het naderende laatste oordeel. De vrees voor de schepselen werd door de vreze Gods vervangen en daarin lag de uitdaging om zich tot het uiterste te verzetten tegen de ordeningen die stoelden op de vrees voor de creaturen.

Betekenis

Müntzers nadruk op onder andere het beleefde geloof, zijn kritiek op de traditionele doop en de standenmaatschappij, en zijn focus op de tijd van de apostelen werden al gauw overgenomen in kringen waar zich een alternatief geloofsbegrip manifesteerde naast de lutherse en zwingliaanse hervormingsbeweging. Onder een andere titel en het pseudoniem Christian Hitz von Salzburg verscheen zijn geschrift tegen de Getichten glawben 1526 als een Augsburger druk. Nog in 1531 waren er in doperse kringen kopieën van in omloop. Spiritualisten als Sebastian Franck en Valentin Weigel kenden de geschriften van Müntzer, evenals de Neurenberger doper Hans Denck. Later zorgde Gottfried Arnold voor een hernieuwde receptie, zij het niet zonder voorbehoud. Müntzers aandeel in de Boerenoorlog werd vooral door de Wittenberger bestrijdingsgeschriften in het geheugen van het nageslacht opgeslagen, zodat hij tot in de 20ste eeuw versleten werd voor het prototype van een dweper en oproerkraaier. De tot in de vorige eeuw gangbare opvatting over de nauwe samenhang tussen de doperse beweging en Müntzer stoelde in eerste instantie niet op de brieven van Grebel, die pas in de 18de eeuw bekend werden. Wel verantwoordelijk hiervoor was (naast de veronderstelde verbinding van Müntzer met het doperse koninkrijk te Münster) met name de opvatting van Philipp Melanchthon, die de herkomst van de wederdoop zag in de kring van de Zwickauer profeten (Müntzer als leerling van Nikolaus Storch), alsmede de weergave van het doperdom door Heinrich Bullinger. Dankzij het meer recente onderzoek is vooral Müntzers invloed op het doperdom in Midden- en Zuid- Duitsland via Hans Hut vastgesteld, die terecht als ‘erfgenaam van Müntzer’ (Gottfried Seebaß) betiteld werd.

Op grond van zijn invloed op de geschiedenis van de protestantse godsdienst, de vroomheid inzake de navolging van Christus, en de ontwikkeling van visies rond overheidskritiek en verzet, mag aan Thomas Müntzer een algemeen historische relevantie worden toegekend.

Bronnen

Literatur

Siegfried Bräuer
Nederlandse vertaling: K.J.Thijink-van der Vlugt

Uit: Mennonitisches Lexikon, Bd. 5, Teil 1, hg. von Hans-Jürgen Goertz, 2010 (www.mennlex.de)
Copyright ©2005-2016 Thomas-Müntzer-Gesellschaft e.V.